PHP blijft populaire sites aandrijven ondanks voorspellingen over het einde. Lees hoe het zich ontwikkelde, waar het vandaag sterk in is en wanneer je het moet kiezen.

“PHP is dood” betekent zelden “niemand gebruikt PHP meer.” Meestal is het een afkorting voor “PHP is niet meer het spannende nieuwe ding,” of “ik heb er ooit een slechte ervaring mee gehad.” Dat zijn heel verschillende beweringen.
Als iemand PHP dood verklaart, reageren ze vaak op een mix van perceptie en persoonlijke ervaring:
De wereld van webontwikkeling heeft een korte aandachtsspanne. Elke paar jaar belooft een nieuwe stack schonere architectuur, betere prestaties of een fijnere developer experience—dus oudere mainstream tools worden het punchline.
PHP lijdt ook onder zijn eigen succes: het was gemakkelijk te starten, dus werd er veel slechte code geschreven. De slechtste voorbeelden werden memes, en memes overleven vaak hun context.
PHP heeft geen constante sensatie nodig om relevant te blijven. Het draait stilletjes enorme hoeveelheden echte traffic—vooral via platforms zoals WordPress—en blijft een praktische optie op zo goed als elke webhost.
Dit stuk gaat niet over het verdedigen van een favoriete taal. Het gaat over praktische realiteit: waar PHP vandaag sterk in is, waar het zwak is, en wat dat betekent als je nu software bouwt of onderhoudt.
PHP begon als een praktisch hulpmiddel, niet als een groot platform. Halverwege de jaren ’90 was het in essentie een set eenvoudige scripts ingebed in HTML—makkelijk om in een pagina te dropen en direct dynamische output te krijgen. Die “zet het op de server en het werkt” mentaliteit werd onderdeel van PHP’s DNA.
Naarmate het web groeide, surfden PHP 4 en vooral PHP 5 op een grote golf van goedkope shared hosting. Providers konden één keer een PHP‑module inschakelen en plots hadden duizenden kleine sites toegang tot server‑side scripting zonder speciale setup.
Dit tijdperk vormde ook de reputatie die PHP nog steeds draagt: veel gekopieerde snippets, inconsistente coding‑stijlen en applicaties die jaren leefden zonder grote herschrijvingen.
Lang was PHP’s grootste kracht toegankelijkheid, niet snelheid. PHP 7 veranderde dat. De overhaul van de engine leverde grote prestatiewinsten en verminderde geheugengebruik, wat van belang was voor iedereen, van kleine blogs tot drukbezochte webapps. Het gaf ook aan dat PHP niet stil stond—het was bereid de kern te moderniseren.
PHP 8 en latere releases zetten de verschuiving naar “modern PHP” voort: betere typingmogelijkheden, schonere syntax en consistenter gedrag. Deze veranderingen losten oude code niet magisch op, maar maakten nieuwe codebases voorspelbaarder en makkelijker te onderhouden.
PHP’s inzet voor backwards compatibility is een grote reden dat adoptie hoog bleef. Je kon hosting upgraden, versies bijwerken en veel oudere apps blijven draaien. Het nadeel is dat het internet een lange staart aan legacy‑code heeft opgestapeld—nog steeds functioneel, nog steeds ingezet, en nog steeds van invloed op hoe mensen over PHP praten.
PHP won de vroege webontwikkeling niet door de elegantste taal te zijn. Het won doordat het het meest bereikbaar was.
Lang was de makkelijkste manier om iets dynamisch online te zetten simpel: koop goedkope webhosting, upload een .php‑bestand en het draaide. Geen speciale servers om te configureren, geen complexe deployment‑pipeline en geen extra runtime om te installeren. Die “drop een bestand en refresh de browser” lus maakte PHP aanvoelen als een extensie van HTML in plaats van een aparte engineeringdiscipline.
PHP paste bij hoe het web werkte: een browser vraagt een pagina, de server voert code uit, retourneert HTML, klaar. Dat model sloot aan bij typische sitebehoeften—formulieren, sessies, logins, contentpagina’s—zonder ontwikkelaars te dwingen te denken in langlopende processen.
Ook vandaag de dag past dat ontwerp nog steeds goed bij veel producten: marketingpagina’s, contentgestuurde applicaties en CRUD‑zware dashboards.
De meeste vroege webapps waren “lees en schrijf wat data.” PHP maakte dat benaderbaar: maak verbinding met een database, voer queries uit, render resultaten. Die eenvoud hielp talloze kleine bedrijven om snel features te leveren—voordat “full‑stack” überhaupt een functietitel was.
Toen PHP overal werd, creëerde het zijn eigen zwaartekracht:
Deze geschiedenis doet er nog toe. Het web is gebouwd op continuïteit: onderhouden, uitbreiden en integreren van wat al bestaat. PHP’s bereik—over shared hosting, CMS‑ecosystemen en frameworks zoals Laravel en Symfony—betekent dat kiezen voor PHP niet alleen een taalkeuze is; het is kiezen voor een volwassen pad binnen webontwikkeling.
WordPress is de grootste reden dat PHP nooit “ongebruikt” raakte. Wanneer een groot deel van het web op één PHP‑gebaseerd platform draait, komt de vraag niet alleen van nieuwe builds—maar van jaren (soms decennia) aan updates, contentwijzigingen en extensies.
WordPress maakte publiceren toegankelijk en draaide goed op goedkope shared hosting. Die combinatie duwde hostingproviders om te optimaliseren voor PHP en maakte “PHP + MySQL” tot een standaardpakket vrijwel overal waar je hosting kon kopen.
Voor bedrijven is de thema‑ en plugin‑economie van WordPress de echte motor. In plaats van custom software te laten maken, kunnen teams vaak een plugin kopen, een thema toevoegen en snel naar de markt gaan. Dat houdt PHP relevant omdat het grootste deel van dat ecosysteem nog steeds in PHP geschreven, onderhouden en ingezet wordt op PHP‑vriendelijke hosting.
Veel organisaties laten bestaande installaties draaien omdat:
In de praktijk betekent dat een constante stroom onderhoudswerk: securitypatches, pluginupdates, prestatieoptimalisatie en geleidelijke modernisering.
WordPress staat niet stil. Moderne builds gebruiken vaak de REST API, de block editor (Gutenberg) en steeds vaker “headless” setups waarbij WordPress content beheert en een aparte frontend die consumeert. Zelfs wanneer de frontend verschuift, blijft PHP centraal op de backend—het draait de admin, contentmodel, permissies en plugin‑hooks waarop bedrijven vertrouwen.
“Modern PHP” betekent meestal niet één framework of een trendmatige herschrijving. Het betekent PHP schrijven op de manier die de taal sinds PHP 7 en vooral PHP 8+ aanmoedigt: duidelijkere code, betere tooling en minder verrassingen.
Als je geheugen van PHP losse arrays en mysterieuze warnings heeft, zal PHP 8 anders aanvoelen.
Betere typing speelt een grote rol. Je kunt typehints toevoegen voor functieargumenten en returnvalues, union types gebruiken (zoals string|int) en rekenen op consistenter gedrag van de engine. Het dwingt je niet overal strikt te zijn, maar het maakt de vraag “wat hoort deze waarde te zijn?” veel makkelijker te beantwoorden.
PHP 8 voegde ook features toe die boilerplate verminderen en intentie duidelijker maken:
match expressions bieden een schoner, veiliger alternatief voor lange switch‑blokken.Modern PHP is strenger in het rapporteren van problemen. Foutmeldingen zijn verbeterd, veel fatale fouten worden gevangen met duidelijkere exceptions, en gangbare ontwikkelsetups koppelen PHP aan statische analyse en formatteringstools om problemen te signaleren vóór ze in productie komen.
PHP zelf heeft zijn securityhouding langzaam verbeterd via betere defaults en scherpere randen: sterkere password‑API’s, betere cryptografieopties en consistenter gedrag bij veelvoorkomende foutgevallen. Dat “beveiligt je app” niet automatisch—maar het vermindert het aantal valkuilen.
Moderne PHP‑code is vaak georganiseerd in kleine, testbare eenheden, geïnstalleerd via Composer‑packages en gestructureerd zodat nieuwe teamleden snel kunnen begrijpen wat er gebeurt. Die verschuiving—meer dan één enkele feature—is waarom modern PHP aanvoelt als een andere taal dan velen zich herinneren.
PHP’s prestatieverhaal werd vroeger gedefinieerd door “interpretatie.” Vandaag kun je beter denken in termen van compilatie, caching en hoe goed je app gebruikmaakt van database en geheugen.
OPcache slaat vooraf gecompileerde scriptbytecode in geheugen, zodat PHP niet elke request dezelfde bestanden hoeft te parsen en compileren. Dat vermindert CPU‑werk drastisch, verlaagt requestlatentie en verbetert throughput—vaak zonder een regel applicatiecode te veranderen.
Voor veel sites is OPcache inschakelen en tunen de grootste “gratis” verbetering: minder CPU‑spikes, stabielere responstijden en efficiënter gebruik van shared hosting en containers.
PHP 8 introduceerde een JIT‑compiler. Die kan CPU‑intensieve workloads versnellen—denk aan dataverwerking, beeldmanipulatie, numerieke berekeningen of langlopende workers.
Maar typische webrequests worden vaak gebottlenecked op andere plekken: databasecalls, netwerk‑I/O, template‑rendering en wachten op externe API’s. In die gevallen verandert JIT meestal niet veel voor de door gebruikers waargenomen snelheid. Het is niet nutteloos—maar ook geen magische knop voor de meeste CRUD‑applicaties.
Prestaties hangen af van de hele stack:
Teams bereiken meestal het beste resultaat door eerst te profileren en dan gerichte fixes toe te passen: voeg caching toe waar veilig, verminder dure queries en trim zware dependencies (bijv. te complexe WordPress‑plugins). Deze aanpak is minder glamourous dan benchmarks najagen—maar verplaatst betrouwbaar echte metrics zoals TTFB en p95‑latency.
PHP bleef niet relevant alleen omdat het overal was—het moderniseerde omdat het ecosysteem leerde code gedisciplineerd te bouwen en delen. De grootste verschuiving was niet één feature in de taal; het was de opkomst van gedeelde tooling en conventies die projecten makkelijker maakten om te onderhouden, upgraden en samen aan te werken.
Composer veranderde PHP in een dependency‑first ecosysteem, vergelijkbaar met wat ontwikkelaars in andere communities verwachtten. In plaats van libraries handmatig in projecten te kopiëren, konden teams dependencies declareren, versies locken en builds reproduceerbaar maken.
Dat stimuleerde ook betere packaging: libraries werden kleiner, meer gefocust en makkelijker herbruikbaar tussen frameworks en custom applicaties.
De PSR‑standaarden van PHP‑FIG verbeterden interoperabiliteit tussen tools en libraries. Wanneer er gemeenschappelijke interfaces bestaan voor autoloading (PSR‑4), logging (PSR‑3), HTTP‑messages (PSR‑7) en containers (PSR‑11), kun je componenten wisselen zonder een hele app te herschrijven.
In de praktijk maakten PSR’s PHP‑projecten minder “framework‑locked.” Je kunt best‑in‑class packages mixen en toch een consistente codebase houden.
Symfony bracht professionele engineeringgewoonten naar mainstream PHP: herbruikbare componenten, duidelijke architectuurpatronen en lange‑termijn supportpraktijken. Zelfs ontwikkelaars die het volledige framework nooit gebruikten, vertrouwen vaak op Symfony‑componenten onder de motorkap.
Laravel maakte modern PHP toegankelijker. Het populariseerde conventies rond routing, migrations, queues en background jobs—plus een samenhangende developer experience die teams richting schonere structuur en voorspelbare projecten duwde.
Tooling rijpte naast frameworks. PHPUnit werd de standaard voor unit‑ en integratietests, waardoor regressiepreventie onderdeel van normale workflows werd.
Op kwaliteitsvlak hielpen statische analysetools (hoog niveau: types, codepaden en potentiële bugs controleren zonder code uit te voeren) teams om legacycode veiliger te refactoren en nieuwe code consistent te houden—belangrijk bij upgrades tussen PHP‑versies.
PHP’s grootste kracht is niet één feature in PHP 8 of één beroemd framework. Het is het opgestapelde ecosysteem: libraries, integraties, conventies en mensen die al weten hoe je PHP‑applicaties levert en onderhoudt. Die rijpheid trendt niet op social media—maar vermindert stilletjes risico.
Als je een echt product bouwt, besteed je minder tijd aan het schrijven van “core” code en meer aan het samenvoegen van betalingen, e‑mail, logging, queues, opslag, auth en analytics. Het PHP‑ecosysteem is hier uitzonderlijk compleet.
Composer standaardiseerde dependencybeheer jaren geleden, wat betekent dat veelvoorkomende behoeften zijn opgelost in goed onderhouden packages in plaats van gekopieerde snippets. Laravel en Symfony brengen batteries‑included componenten, terwijl WordPress eindeloze integraties en plugins biedt. Het resultaat: minder reinventie, snellere levering en duidelijkere upgradepaden.
Een taal “overleeft” deels omdat teams er personeel voor kunnen vinden. PHP wordt veel onderwezen, veel gebruikt in webhosting en is bekend bij veel full‑stack developers. Zelfs als iemand Laravel of Symfony niet kent, is de leercurve om productief te worden vaak korter dan bij nieuwere stacks—vooral voor server‑side scripting en traditionele webontwikkeling.
Dat telt voor kleine teams en agencies waar verloop voorkomt, deadlines echt zijn en de duurste bug degene is die niemand begrijpt.
PHP’s documentatie is een concurrentievoordeel: compleet, praktisch en vol voorbeelden. Naast de officiële docs is er een diep archief aan tutorials, boeken, cursussen en communityantwoorden. Beginners kunnen snel starten, terwijl ervaren ontwikkelaars kunnen duiken in performance, testing en architectuurpatronen zonder vast te lopen.
Talen sterven niet omdat ze imperfect zijn—ze sterven wanneer ze te duur zijn om te onderhouden. PHP’s lange geschiedenis betekent:
Dat verhaal van langetermijnonderhoud is onopgesmukt, maar het is waarom PHP een veilige keuze blijft voor systemen die jaren moeten draaien, niet weken.
PHP’s reputatie is vaak gekoppeld aan “ouderwetse” websites, maar de dagelijkse realiteit is modern: het draait in dezelfde omgevingen, praat met dezelfde datastores en ondersteunt dezelfde API‑first patronen als andere backendtalen.
PHP schittert nog steeds op shared hosting—upload code, koppel een domein en je bent live. Die toegankelijkheid is een grote reden waarom het nog veel voorkomt bij kleine bedrijven en contentsites.
Voor teams die meer controle nodig hebben, werkt PHP goed op een VPS of in containers (Docker + Kubernetes). Veel productie‑setups draaien vandaag PHP‑FPM achter Nginx, of gebruiken platformdiensten die de infrastructuur verbergen terwijl ze standaard PHP‑workflows behouden.
PHP komt ook in serverless‑achtige deployments voor. Je draait niet altijd traditionele PHP‑requesthandling, maar het idee is hetzelfde: kortdurende processen die op aanvraag schalen, vaak verpakt als containers.
De meeste PHP‑apps verbinden met MySQL/MariaDB—vooral in WordPress‑rijke omgevingen—maar PostgreSQL is even gebruikelijk voor nieuwe builds.
Voor snelheid voegen teams vaak Redis toe als cache en soms als queue‑backend. In praktische termen betekent dat minder databasehits, snellere paginaladingen en soepelere verkeerspieken—zonder het kernproduct te veranderen.
PHP is niet beperkt tot HTML‑rendering. Het wordt vaak gebruikt om REST‑API’s te bouwen die mobiele apps, single‑page apps of third‑party integraties bedienen.
Authenticatie volgt meestal dezelfde concepten als elders: session + cookies voor browserapps en token‑based auth voor API’s (bijv. bearer tokens of signed tokens). De details variëren per framework en vereisten, maar de architectuurpatronen zijn mainstream.
Moderne producten combineren vaak een PHP‑backend met een JavaScript‑frontend.
Een aanpak is PHP als API‑server terwijl frameworks als React of Vue de interface beheren. Een andere is een “hybride” model waarbij PHP kernpagina’s rendert voor snelheid en SEO, terwijl JavaScript specifieke delen van de UI verbetert. Dit laat teams kiezen wat dynamisch is zonder alles in één applicatiestijl te dwingen.
Een reden dat de uitspraak “PHP is dood” blijft bestaan, is dat teams de kosten van verandering overschatten. In de praktijk kan moderne tooling je helpen delen van een systeem te prototypen of te vervangen zonder het hele bedrijf op één grote rewrite te zetten. Bijvoorbeeld, Koder.ai (een chat‑gedreven vibe‑coding platform) is handig wanneer je snel een admin dashboard, een kleine interne tool of een React‑frontend wilt opzetten die integreert met een bestaande PHP API—snel, met een helder pad naar deployment en broncode‑export.
Nee. De uitdrukking bedoelt meestal dat PHP niet meer het hippe onderwerp is, niet dat het niet gebruikt wordt. PHP draait nog steeds een groot deel van de productie‑traffic — vooral via WordPress — en wordt breed ondersteund door hosts en platforms.
Meestal zitten geschiedenis en perceptie erachter:
“Modern PHP” betekent meestal PHP 8+ gecombineerd met hedendaagse ecosysteempraktijken:
Veel prestatietegenbeeld zijn verouderd. Werkelijke snelheid hangt van de hele stack af, maar PHP kan heel snel zijn als je:
OPcache slaat gecompileerde PHP‑bytecode in geheugen zodat PHP bestanden niet bij elke request opnieuw hoeft te parsen en te compileren. Voor veel apps is dit de grootste “gratis” winst:
Soms — maar meestal niet voor typische webpagina’s. De JIT van PHP 8 versnelt vooral CPU‑intensieve workloads (bijv. beeldverwerking, numerieke berekeningen, langlopende workers). Veel webrequests worden bottlenecked door database of netwerk I/O, dus JIT heeft daar vaak minimale zichtbare impact.
Composer is de dependencymanager van PHP. Je kunt packages declareren, versies locken en builds reproduceerbaar maken — in plaats van libraries handmatig in projecten te kopiëren. In de praktijk maakt het autoloading, kleinere herbruikbare libraries en veiligere upgrades mogelijk.
PSR‑standaarden standaardiseren interfaces in het ecosysteem (autoloading, logging, HTTP‑messages, containers, enz.). Dat maakt libraries interoperabel en vermindert lock‑in:
PHP past goed als je snel en betrouwbaar een webproduct wilt leveren met voorspelbare hosting en hires:
Frameworks zoals Laravel/Symfony zijn handig als je structuur wilt zonder een CMS te gebruiken.
Moderniseer incrementeel in plaats van te herschrijven:
7.4 → 8.0 → 8.1/8.2/8.3)Dit vermindert risico terwijl je stap voor stap onderhoudbaarheid en beveiliging verbetert.